english - englishsvenska - swedish

Lucretius - Gebed tot Venus

Uit: De Rerum Natura – De natuur van de dingen
Uitgegeven en vertaald door Piet Schrijvers
2008 – Historische Uitgeverij, Groningen

Boek Een
GEBED TOT VENUS

O Moeder van de Romeinen, genot van god en mens,
u, milde Venus, die onder de sterrenbanen
de schepenrijke zee en het vruchtendragende land bevolkt,
want dankzij u wordt ieder levend wezen ontvangen
en aanschouwt het licht bij zijn geboorte:
voor u, godin, voor u en voor uw intocht vluchten
winden en wolken, de bonte aarde heft naar u
geurige bloemen, het zeevlak straalt u tegemoet
en licht verspreidt zich glanzend langs een kalme hemel.
Zodra de aanblik van een lentedag zich opent,
bevruchtend en weldadig een zoele bries vrij spel krijgt,
kondigen allereerst de vogels in de lucht
uw komst aan, door uw komst getroffen in hun hart.
Dan springt het vee onstuimig door het welig weiland,
trotseert de sterkste stroming: betoverd en bekoord
volgt ieder schepsel gretig waarheen u het leidt.
Ten slotte, door in zeeën, bergen, snelle stromen,
in groene velden, bladerrijke vogelhuizen,
met zoete liefde alle harten te doorboren
bewerkt u dat de soorten begerig zich verjongen.
Daar u alléén de loop van de natuur bestuurt
en zonder u niets naar de kusten van het licht
ontspringt en niets ontstaat wat vreugde wekt en liefde,
wil ik dat u mij steunt bij het schrijven van de verzen
die ik probeer te dichten over de natuur
voor mijn vriend Memmius, die u, godin, altijd
in ieder opzicht tot hoog aanzien wilde brengen:
verleen mijn woord temeer een blijvende bekoring.
Maak dat te land, ter zee het woeste krijgsbedrijf
inmiddels wordt gesuste en tot bedaren komt,
want u alleen kunt ons met rust en vrede helpen,
daar het woeste krijgsbedrijf door de stoere Mars geleid wordt,
die, overwonnen door een eeuwige liefdeswond,’
dikwijls zich ruggelings laat vallen op uw schoot,
reikend met teruggebogen hals naar u, godin,
omhoogkijkt, smachtend zijn verliefde blik verzadigt
terwijl zijn adem weerloos aan uw lippen kleeft.
Omhels hem als hij op uw heilig lichaam uitrust,
godin, laat zoete woordjes van uw lippen vloeien:
o hoogheid, vraag om vrede voor Aeneas’ volk.
Want als het vaderland gevaar loopt, kan ik niet
rustig dit werk doen, de edele Memmius kan dan niet
zich verre houden van het algemene welzijn.
Trouwens een god moet uiteraard niets anders dan
in eeuwigheid genieten van volmaakte rust,
gescheiden, ver verwijderd van de mensenwereld;
want hij, van elke pijn en elk gevaar verstoken,
heeft, onafhankelijk en machtig ons niet nodig;
hij wordt noch door verdiensten noch door toorn geraakt.