english - englishsvenska - swedish

Iwer Thor Lorenzen

Natuur en Wezen van de Honingbij

een inleiding

I VOORWOORD VAN DE SCHRIJVER

De verzorging van planten en dieren vereist naast gedegen vakkennis veel opmerkzaamheid, verantwoordelijkheid en voorzichtigheid. Hoe meer een mens in staat is om in zijn relatie tot zijn omgeving liefdevolle overgave op de eerste plaats te stellen, des te beter is hij in staat om dieren en planten te verzorgen. Onbaatzuchtigheid maakt hem niet alleen gewetensvoller, maar opent tegelijkertijd de mogelijkheid om de minder duidelijk zichtbare kanten van de levende natuur waar te nemen. Dit is iets dat de egocentristen noodzakelijkerwijze zal ontgaan. De materialisten onderscheiden zich niet alleen op morele gronden (namelijk in hun denken, voelen en willen) van de onbaatzuchtigen, maar ook op fysiologisch gebied en wel tot in de chemie van hun lichaamsgeuren toe. Het is bekend, hoe ongunstig bijen en vele bloemen kunnen reageren op kwalijke geuren en er zelfs door beïnvloed worden.

Men kan de moderne mens niet zonder meer de geaardheid van Fransiscus van Assisi als ideaalbeeld voorhouden. Desalniettemin laat zijn innig warme en diepe gevoel wel een van de edelste kanten van de mens zien. Iedereen die intensief met dieren en planten omgaat zou, ook al is het maar in bescheiden omvang, iets van deze onbaatzuchtigheid dienen te bezitten. Of de bijenteelt in de toekomst zal floreren, is eigenlijk alleen afhankelijk van de vraag of de imker in staat is om een reële en innige relatie aan te gaan met het wezenlijke van de Bij.

Het is helaas zo, dat juist over de intimiteiten van het bijenleven (waarvan men alleen iets merkt bij een intense omgang met de bijen) in de literatuur weinig of niets te vinden is, zodat voor de imker, die uit zichzelf moeilijk tot een diepgaand contact met de bijen kan komen, nauwelijks enige lectuur voorhanden is. Met een diepgaand contact wordt bedoeld een contact, dat de subjectieve bevrediging te boven gaat. Wanneer er nu iemand zou bestaan, die vanuit een allesomvattende kennis, de geheimen van het bijenwezen zou openbaren, dan zou dat een enorme hulp zijn. Daarmee is dan immers de geestelijke toegang tot de ware levensvoorwaarden van het bijenvolk aangegeven.

Wat een mens verhindert, om met hart en ziel met zijn omgeving in nauw contact te komen, heeft te maken met innerlijke krachten, die hem inkapselen. Deze egoïstische krachten werken zijn betrokkenheid met de wereld om hem heen tegen. Enerzijds helpen deze krachten hem aan een zeker zelfbewustzijn, maar anderzijds zorgen zij voor een gevoelsmatige buitensluiting, zodat de materialistische illusie: "De zintuiglijke wereld is een in zichzelf besloten geheel", toch de overhand krijgt. Vaker dan men denkt, bestaat de oplossing van het vraagstuk: "Hoe krijgt men kennis van de ware realiteit", uit het overwinnen van de zelfzucht, in het eigen denken, voelen en willen. Voor het denken zijn Goethe's 'Kleurenleer' en zijn 'Metamorphose van de planten' een goede scholing. Wie door zelfontplooiing het egoïsme uit de drie zielenkrachten weet te bannen, zal ontdekken dat de uiterlijke zintuiglijke wereld zijn oorsprong vindt in de geest. Bij het doorlopen van dit proces komt men op een punt, waarbij men beseft dat men de fundamenten van het hogere ik in zichzelf vindt en vervolgens de ervaring dat dit geestelijk wezen uit zichzelf ontstaan is. Een scholingsweg in deze richting is de, door Rudolf Steiner in het leven geroepen, anthroposofische geesteswetenschap. Daardoor is het mogelijk geworden om op een concrete manier tot de geestelijke inhoud van de wereld door te dringen en om tot een reële verstandhouding met de werkelijkheid te komen. Een uit de geest der anthroposofie geboren basis voor het denken over het houden van bijen, is uitermate geschikt om aan te geven hoe het innerlijk geestelijke contact tussen de imker en de bij gestalte kan krijgen, alsook om een gezonde richting aan de bijenteelt te geven. Meer dan tien jaar geleden, kreeg ik de lezingen die Rudolf Steiner in 1923 over bijen en mieren gehouden heeft, onder ogen. Enige jaren later kreeg ik aantekeningen van voordrachten uit de jaren 1905 - 1908, waarin ook over bijen gesproken werd. Op grond hiervan nam ik het besluit, om de kennis, die in bovengenoemde geschriften besloten ligt, op hun praktische bruikbaarheid te toetsen. Mochten ze bruikbaar zijn, dan konden ze dienen als bouwstenen voor een geesteswetenschappelijk gefundeerde bijenteelt. Wat hieruit, na jaren, tevoorschijn is gekomen, staat in dit boekje.

Bij de uitwerking van dit thema was ik genoodzaakt vast te stellen, dat mijn werk in het kader van de bijenliteratuur een buitenbeentje zou worden. Ik was er derhalve op gespitst om er alles aan te doen, wat binnen mijn vermogen lag, om de kritiek van de vakmensen zoveel mogelijk voor te zijn.

Uit ervaringen opgedane inzichten, zoals die in het navolgende ten tonele gevoerd worden, laten zich helaas vaak moeilijk onder woorden brengen. Om voldoende duidelijkheid te bereiken, moesten in de loop der jaren vele stukken herschreven worden. Desondanks is het beoogde doel niet bereikt. Een verdere vervolmaking moet helaas aan een volgende druk voorbehouden blijven, daar ik, op goede gronden, niet langer met publicatie wil wachten. Bovendien geeft een in het vooruitzicht gestelde, herziene druk, de gelegenheid de zaken te verduidelijken, uitgebreider te behandelen en eventuele misverstanden uit de weg te ruimen.

Iwer Thor Lorenzen